U bent succesvol uitgelogd.
Nog niet geregistreerd?
Gebruikerservaring Space®Plus
Luc Verbanck is al meer dan 30 jaar anesthesist-intensivist in het Jan Yperman Ziekenhuis. Hij is ook stagemeester en actief binnen het opleidingscentrum voor assistenten anesthesie, die dus met heel veel toestellen in contact komen.
“Een beslissing ziekenhuisbreed hebben wij ook meegedragen als dienst anesthesie. Omwille van de patiëntveiligheid, de foutenmarge en ook de mogelijkheden van snel nieuwe therapieprotocollen (PCA/PIB/TCI) te implementeren op onze pompen op anesthesie en intensieve zorgen. En we vonden dat echt een meerwaarde. We hadden al veel ervaring met de oude B. Braun Space®-pompen, waar ik trouwens aan meegewerkt heb met jullie R&D aan de gebruiksvriendelijkheid van het TCI-protocol, zoveel jaar geleden.”
“Wij hebben op basis van de ervaring met de vorige TCI‑protocollen redelijk wat kunnen overnemen. In het begin zaten er enkele foutjes in, maar die hebben we snel kunnen aanpassen. Zo hebben we onder andere de snelheden, de drukmarges en andere instellingen bijgestuurd.”
“TCI betekent Target Controlled Infusion. Wat wil dat zeggen? Men werkt niet met één enkel gewicht van een patiënt om daarop een berekening te maken, bijvoorbeeld zoveel mg per kg die moeten toegediend worden. Bij Propofol (Propofol‑lipid) bestaan er TCI‑protocollen die rekening houden met meerdere parameters. Zo kan je gewicht, lengte en leeftijd ingeven volgens een bepaald TCI‑protocol (er bestaan er meerdere) om zo een juiste, zeer nauwkeurige selectie te maken van de hoeveelheid Propofol die nodig is voor optimale narcose.
TCI‑protocollen zijn wiskundige modellen. Vroeger waren dit drie‑compartimentsmodellen. De huidige TCI‑protocollen zijn uitgebreider, waardoor men met veel meer parameters rekening kan houden. Ze zijn ontwikkeld op basis van in‑vivo‑ en in‑vitro‑modelstructuren, waarbij men concentraties van bijvoorbeeld Propofol meet en de diepte van narcose beoordeelt via EEG of entropie. Zo kan je zeer nauwkeurig een narcosediepte garanderen én een snelle recovery zonder ‘hangover’. De patiënt is snel aanspreekbaar en herwint snel een normale functionaliteit. Dit geldt niet alleen voor Propofol: we gebruiken TCI ook dagelijks in combinatie met sterke morfinomimetica zoals Remifentanil, waarvoor eveneens meerdere TCI‑protocollen bestaan.”
“Vroeger zijn we gestart met het Marsh‑model. Dat was toen het enige beschikbare protocol. Ondertussen zijn er nieuwere TCI‑protocollen met meer parameters. Bij Marsh werd enkel het gewicht van de patiënt meegenomen. Met het Schnider‑model kwamen daar lengte, geslacht en gewicht bij. Nu werken we steeds meer met het recentste TCI‑model, Eleveld, met goede resultaten. Als opleidingscentrum willen we al onze assistenten alle bestaande TCI‑modellen kunnen tonen.
Wat betreft de marge tussen obesitas en oudere patiënten vind ik het Eleveld‑model zeer goed. Het geeft geen toxiciteit en veroorzaakt veel minder bloeddrukschommelingen bij ouderen. Het Eleveld‑model is toepasbaar van kindertijd tot boven de 80–90 jaar.
Het is een veilig en breed toepasbaar model waarbij men veel parameters vooraf moet invoeren om te kunnen starten.”
“De visualisatie gebeurt zowel via cijfers als via curves. Cijfermatig zie je de ingestelde targetwaarde en wanneer deze bereikt wordt. Op de Space®plus‑pomp zie je via de TCI‑curves in één oogopslag de opbouw van de targetconcentratie, niet enkel in het plasma maar ook in de hersenen. Ook de outflow - het terug wakker worden - wordt snel en duidelijk weergegeven.”
“Initieel via de pomp. Het EPD‑systeem geeft vooral de totalen en de wijzigingen van targets. Als je dus van een target 4 naar 3 gaat, wordt dat als wijziging weergegeven in KWS. Maar de Space®plus‑pomp is veel overzichtelijker. De totale hoeveelheid Propofol die via TCI wordt toegediend, kan je wel snel terugvinden in KWS.”
“We krijgen een heel duidelijk overzicht van het debietverloop per pomp in ons EPD‑systeem. Je ziet mooi de opvolging van de hoeveelheid die per minuut toegediend wordt. Voor een overzicht van de therapieën — zeker naar toekomstige studies — zullen we KWS heel goed kunnen gebruiken.”
“PI(E)B is een relatief nieuwe techniek die de laatste jaren steeds meer wordt toegepast op materniteit, in het verloskwartier. Het betreft een epidurale toediening met lage concentratie en hoog volume: Programmed Intermittent Epidural Bolus. Standaard wordt één keer per uur een groot volume aan lage concentratie toegediend. Daarbovenop kan de patiënt zichzelf extra epidurale bolussen geven, binnen de ingestelde lock‑outtijden in de medicatiebibliotheek. De bedoeling is dat de patiënt mobiel blijft (‘walking epidural’). De patiënt hoeft niet meer gesondeerd te worden, krijgt meer bewegingsvrijheid en is niet aan het bed gebonden. Dat bevordert de indaling en delivery zonder motorische parese.”
“De belangrijkste meerwaarde is dat ze de patiëntveiligheid verhogen. De foutmarge bij het ingeven van patiëntparameters wordt kleiner dankzij de automatische overdracht van die parameters naar alle pompen binnen hetzelfde station: gewicht, lengte en leeftijd worden automatisch overgenomen.”
“De medicatiebibliotheek is zeer duidelijk. Het kleurentouchscreen is gebruiksvriendelijk. Vooral de parameters die je bij start van de anesthesie op één pomp ingeeft, worden automatisch gedeeld met alle pompen in dat station. Daardoor worden fouten in gewicht of medicatie-invoer tot een minimum beperkt.
Ook de gebruiksvriendelijkheid van de pomp is sterk verbeterd: we kunnen ze veel sneller opstarten dan de vorige generatie Space®‑pompen.
Daarnaast is de connectiviteit met KWS (ons EPD‑systeem) een grote medico‑legale meerwaarde, omdat elke stap in de anesthesie nauwkeurig wordt geregistreerd.”
“Ze zijn robuust en hebben een goede batterij. Vooral bij transport is dat een voordeel: er treedt niet meteen een batterij‑alarm op. Ze kunnen netjes gesorteerd worden in een rek, wat we dagelijks gebruiken op een vaste en veilige plaats in het operatiekwartier. We hebben er eigenlijk nog nooit een beschadigd.”
“De kleuren zijn vooral nuttig op intensieve zorgen. Maar ook in het operatiekwartier vind ik de kleurcodes belangrijk. Zeker voor PC(E)A en PI(E)B gebruiken we specifieke kleuren om aan te duiden of het om een locoregionale of intraveneuze toediening gaat. Dat is vooral nuttig op materniteit waar pompen zowel gebruikt worden voor intraveneuze toediening (zoals Syntocinon) als voor pijnstilling. Met het kleurenscherm zullen we zeker minder fouten maken.”
“Nee, op dit moment gebruiken we enkel de epidurale NRFit®‑sets op OK. Eerst zullen we de CSE‑sets (Cerebrospinaal‑Epiduraal) omzetten naar NRFit®‑sets. Daarna kunnen we starten met de NRFit®‑trousses.”
“We werken met het scannen van een QR‑code waaraan alle pompen gelinkt zijn. Je scant ook de barcode van de patiënt. Via KWS koppel je zo alle actieve pompen (maar ook monitoring en ventilatoren) aan de juiste patiënt. Vanaf dat moment wordt alle therapiedata automatisch doorgestuurd en geregistreerd in KWS.”